Doorgaan naar content Doorgaan naar navigatie

Sportinnovator

Hét sportinnovatienetwerk van Nederland

Innovatie in de schijnwerpers

Minder regels, meer kick: 3 innovaties die jeugdsport aantrekkelijker maken

Sportfestival volendam jeugd 2

Rond het dertiende levensjaar verlaten veel jongeren de georganiseerde sport. Niet omdat sport hen niet meer aantrekt, maar omdat het aanbod niet meer bij hen past. Twee Sportinnovator-centra werken aan drie innovaties die dat veranderen: van vernieuwde wedstrijdformats bij vijf bonden tot een scan die trainers helpt hun groep écht te begrijpen, en zwemlessen die werken zonder dat kinderen het doorhebben. Wat die innovaties verbindt? Minder expliciete regels, en meer ruimte voor de kick van het spel.

Van volleybal tot judo: formats die passen bij wie je bent

Het Jeugdsport Innovatiecentrum (JIC) van hogeschool Windesheim sloot enkele jaren geleden een samenwerking met de Nederlandse Volleybalbond (Nevobo) om een vernieuwde competitievorm te ontwikkelen voor kinderen van 6 tot 12 jaar, ter verhoging van het spelplezier en de betrokkenheid van de jeugdspelers. Dit seizoen ging het nieuwe spelconcept Volley Stars officieel van start.

Maar bij volleybal en de leeftijdscategorie van 6-12 jaar bleef het niet. Bas Schutte, manager van het JIC, vertelt dat de vraag die ooit bij volleybal ontstond, veel breder speelt: “Hoe zorgen we ervoor dat sport ook voor een nieuwe generatie betekenisvol blijft? Dat is wat wij wilden onderzoeken.” Inmiddels werkt het JIC hier samen met vijf sportbonden aan: de KNGU (Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie), KNLTB (Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond), KNSB (Koninklijke Nederlandse Schaatsenrijders Bond), JBN (Judo Bond Nederland) en de KNZB (Koninklijke Nederlandse Zwembond). 

“Tot twaalf jaar leer je spelenderwijs een sport”, legt Schutte uit. “Maar daarna versmalt het aanbod: sport draait steeds meer om excelleren, terwijl er ook veel jongeren zijn die iets anders zoeken: meer flexibiliteit, een community en gewoon de lol van het spel. Zij trekken naar fitness of andere, losser georganiseerde sportvormen. Wie niet wil of kan excelleren, valt tussen wal en schip.” Het JIC doet hier ontwerpgericht innovatieonderzoek naar. Dus niet vanuit vergadertafels of enquêtes, maar door samen met jongeren, trainers en experts nieuwe ideeën te ontwerpen, te testen en door te ontwikkelen in de praktijk. 

Plezier, prestatie en verbondenheid: de motor voor betrokkenheid
De belangrijkste les uit de projecten is dat sport voor jongeren veel meer is dan bewegen alleen. “Jongeren willen ergens beter in worden. Ze zoeken uitdaging, willen nieuwe dingen leren en ontdekken wat een sport uniek maakt.” 

''De kracht van sport zit vaak in het verlangen om jezelf te ontwikkelen''
Bas Schutte, manager Jeugdsport Innovatiecentrum

Dat betekent niet dat competitie geen rol speelt. “Winnen is voor bijna iedereen belangrijk”, zegt Schutte. De vraag is dus wat dat gevoel van succes voor hen betekent. “We gaan altijd op zoek naar de kick van het spel. De mate waarin iets lukt, of iets heel leuk is — en daardoor ook leerzaam wordt — dat is wat je groot moet maken en uitdagen. Of het nu gaat om een slimme actie, een nieuwe skill of een persoonlijk record: de kracht van sport zit vaak in het verlangen om jezelf te ontwikkelen”, aldus Schutte. 

Volgens hem ligt daar ook een kans voor de toekomst van de georganiseerde sport. Nieuwe sportvormen kunnen beter aansluiten bij jongeren, ruimte bieden voor eigenaarschap en nieuwe doelgroepen aanspreken. Zo ontstond bijvoorbeeld de Judo Playground, een vernieuwende toernooivorm waarin kinderen meer speelkansen krijgen en meer eigenaarschap ervaren.  “Jongeren bepalen er zelf de puntentelling en de organisatie van het toernooi. Die autonomie en jongeren echt een rol geven in de organisatie van sport — dat is belangrijk”, zegt Schutte.

Maar hoe weet je welke omgeving jongeren nodig hebben om te blijven leren, groeien en betrokken te blijven? Precies die vraag vormde de aanleiding voor een volgende innovatie: de Teamscan.

De Teamscan: structuur in wat een trainer al voelt
Wie traint kinderen op dinsdagavond bij de sportclub? Waarschijnlijk geen pedagoog. Dat is niet erg, zolang die trainer weet waar hij naar moet kijken. Daarvoor ontwikkelde het JIC, samen met Sportservice Zwolle en Sportbedrijf Raalten, de Teamscan.

“De Teamscan is geen oplossing, maar een opening voor een gesprek”, zegt Leontien Thewissen van het JIC. “Het geeft structuur aan hoe je als begeleider een trainer kunt helpen, zodat de training beter aansluit op wat de groep nodig heeft.”

Achter de Teamscan zit ook een scholingstraject voor clubkadercoaches: de begeleiders die trainers dagelijks ondersteunen.

''De Teamscan geeft structuur aan hoe je als begeleider een trainer kunt helpen.''
Leontien Thewissen, Sportservice Zwolle en Jeugdsport Innovatiecentrum

De scan is gebaseerd op het FRIS-model en kijkt naar vier dimensies: Fysieke omgeving, Relaties, Inhoud en Structuur. Per kind beantwoordt de trainer vier eenvoudige vragen. Vallen er kinderen uit op de dimensie 'Relatie'? Dan is dáár de eerste interventie nodig. Klein en concreet, zoals bijvoorbeeld een enthousiaste persoonlijke begroeting van de trainer aan de kinderen als de groep binnenkomt. Of vallen meerdere kinderen uit op 'Inhoud'? Dan is de oefening misschien te makkelijk of juist te moeilijk en is het aanpassen van het niveau de eerste stap.

Windesheim bracht de wetenschappelijke onderbouwing; de praktijkpartners zorgden voor directe toegang tot trainers en testmogelijkheden. Inmiddels is een scholingspilot afgerond en zijn de vragen gevalideerd. Met een subsidie van Innofest wordt gewerkt aan een app-prototype, dat in augustus wordt getest tijdens het WK Hockey. De ambitie reikt verder: ''Eigenlijk werkt iedere groep op deze manier. Ook in het bewegingsonderwijs zou dit heel goed passen.''

Kikkers en basketballen: anders leren zwemmen

In Eindhoven werkt bewegingswetenschapper Carola Minkels aan een vraag die de zwemsport al jaren bezighoudt: hoe leren kinderen het beste zwemmen? Haar promotieonderzoek, verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam en uitgevoerd bij Innosportlab de Tongelreep, vergeleek vijf leermethoden. De uitkomst is helder én praktisch: minder instructies, meer ervaring.

De gangbare zwemlespraktijk is gebaseerd op expliciet leren: de docent legt precies uit welke beweging wanneer gemaakt moet worden. Minkels onderzocht vier impliciete alternatieven, waarbij kinderen de beweging leren zónder de onderliggende regels te kennen. Neem de kikkeranalogie: kinderen proberen 'als een kikker' door het water te bewegen, in plaats van uit te leggen in welke richting handen of benen moeten gaan. Of de waterbasketbaloefening: er hangt een basket in het bad en kinderen krijgen één opdracht: gooi de bal erin. Om dat te kunnen doen, moeten ze zichzelf boven water houden. Ze beginnen vanzelf te watertrappelen, met de juiste beenbeweging, zonder dat iemand heeft uitgelegd hoe dat werkt. “Ze zijn er onbewust mee bezig”, zegt Minkels. “En het is veel leuker, want ze mogen met een balletje gooien.” 

“Instructievideo's leidden tot de snelste leerprogressie bij zwemles”
Carola Minkels, bewegingswetenschapper Innosportlab de Tongelreep

De meest opvallende bevinding: kinderen die expliciet leren, presteren slechter zodra ze in een nieuwe wateromgeving terechtkomen. Bij stress kunnen ze de aangeleerde regels niet meer ophalen. Impliciete leerders passen zich beter aan — en dat is geen kleinigheid, want zwemvaardigheid gaat uiteindelijk over veiligheid. En de grootste verrassing uit het onderzoek: instructievideo's leidden tot de snelste leerprogressie. Minkels: “De instructeur hoeft de uitleg niet meer zelf te geven en kan zich richten op persoonlijke aandacht.”

Samen met de zwembond (KNZB) en de Nationale Raad Zwemveiligheid vertaalt Minkels de inzichten nu naar concrete handvatten voor zwemdocenten door heel Nederland.

Broedplaatsen voor jeugdinnovatie
Meerdere innovaties, ontwikkeld in nauwe samenwerking met bonden, verenigingen en wetenschappers. Dat is wat de Sportinnovator-centra doen: de ruimte en expertise bieden om vragen uit de praktijk te vertalen naar iets wat echt werkt. Voor de trainer op dinsdagavond, het kind in het zwembad en de jongere die anders afhaakt.

Deel deze pagina